Amerika en de escalerende spraakverwarring over de aard van de samenwerking

Amerika: een netwerk of een alliantie

Na de FBI inval bij Trump, de overwinning van de pro-choice beweging in Kansas en het akkoord in Senaat en Huis van Afgevaardigden op Bidens ‘Inflation Reducton Act’, is de Amerikaanse culturewar in een stroomversnelling geraakt. Rechtse politici en media spuwen vuur en roepen op wraak te nemen bij de verkiezingen in november. Linkse media en politici spreken over de verdediging van de opgebouwde waarden. Aan de oppervlakte lijkt de culturewar te gaan over moreel-ethische kwesties als abortus, wapenbezit en homohuwelijk. Onderliggend is sprake van een veel oudere strijd tussen twee samenwerkingsvisies. Is Amerika een alliantie met wetten die gelden voor alle Amerikanen. Of is het een netwerk, een losse federatie van Staten waar slechts munt, leger en buitenlands beleid gezamenlijk zijn. De VS zijn het voorbeeld hoe spraakverwarring over de aard van je samenwerkingsverband kan escaleren, Europa en Nederland kunnen hier veel van leren.

Republikeinen en Democraten verstaan iets anders onder samenwerken

Sinds de oprichting van de VS is het niet de vraag of de Amerikaanse staten zullen samenwerken, maar hoe die samenwerking eruit moet zijn. De Burgeroorlog was de eerste en laatste poging om de aard van de samenwerking binnen de Unie fundamenteel te veranderen. En daarna is besloten om de constitutie van 1779 als onveranderbaar fundament van het land te beschouwen. De kern van het probleem is dat het woord ‘samenwerken’ zo’n positieve connotatie heeft dat iedereen het overal voor gebruikt, maar tegelijkertijd er net iets anders onder verstaat. Overigens is dit geen typisch Amerikaans probleem; ook in Nederland en de EU wordt samenwerking als oplossing voor heel veel problemen gezien, maar blijken betrokken partijen toch steeds iets anders onder samenwerken te verstaan. Spraakverwarring, polarisatie en debat liggen dan op de loer. Terwijl samenwerken vraagt om een permanente dialoog over de richting van de samenwerking. In de VS ontbreekt die dialoog en het effect is een culturewar over moreel-ethische dilemma’s als abortus. Maar ook in Europa en Nederland wordt het gesprek over het soort samenwerking dat we willen nauwelijks meer gevoerd.

Twee botsende samenwerkingsvisies

Hoewel lang niet alle Amerikanen zo zwart – wit kijken naar de toekomst van hun land maakt het tweepartijenstelsel het gemakkelijk om de botsende samenwerkingsvisies te herkennen. De Republikeinse visie leidt tot een netwerksamenwerking, de democratische tot een alliantiesamenwerking. Vertaald naar Europa zou in de democratische samenwerkingsvisie Brussel bepalen hoe we in Nederland onze abortuswetgeving regelen, in de Republikeinse visie besluiten landen daar zelf over.

Beide samenwerkingsvisies vragen om een nadere toelichting, omdat beide visies voor- en nadelen hebben, die door de polarisatie van het debat niet meer worden gezien. De Amerikaanse Democraten staan voor een sterk Washington die gelijke wetten op kan leggen voor alle Amerikanen. De Amerikaanse staten helpen de wetten die in Washington worden gemaakt, uit te voeren. De samenwerking waar zij voor staan, is daarmee een alliantiesamenwerking. Allianties zijn gericht op de realisatie van duidelijke doelen die voor alle deelnemende partijen gelijk zijn. Deelnemende partijen behouden hun zelfstandigheid, maar zijn wel bereid om een (groot) deel van hun autonomie in te leveren aan een centraal orgaan die namens hen de gestelde doelen realiseert. De inmenging van allianties op de deelnemende partijen is dus vaak best groot. Sinds 1848 is Nederland op deze wijze georganiseerd en daarom gelden voor alle Nederlandse burgers dezelfde wetten, ook voor abortus.

De Republikeinen staan voor een Verenigde Staten dat veel meer functioneert als een netwerk van zelfstandige Staten. Waarbij Washington gaat over munt, leger en buitenlands beleid en de Staten zelfstandig over alle andere beleidsterreinen. Samenwerkingen op deze wijze georganiseerd zijn veel losser van structuur én ambitie dan een alliantie. Binnen een netwerk wordt er tegelijk op verschillende onderwerpen met verschillende intensiteit samengewerkt. De deelnemende partijen blijven zelfverantwoordelijk voor hun activiteiten en besluiten. Er wordt dus beperkt autonomie overgedragen aan een centrale overheid. Wanneer de bevolking in Utah, met een zeer christelijk bevolking, strenge alcoholwetten en abortus wetgeving wil, dan is dat dus niet aan Washington om te beslissen, maar aan Salt Lake City zelf. In de Gouden Eeuw was Nederland georganiseerd als zo’n netwerk, toen zouden de Zeven Provincies zelfstandig over kwesties als abortus hebben besloten.

De dialoog over de aard van de samenwerking is cruciaal

Het helpt om de Amerikaanse culturewar te bekijken door de bril van botsende samenwerkingsvisies. Dat voorkomt dat we worden meegezogen in het Amerikaanse ‘goed – fout’ debat en biedt een objectievere blik op het grote vraagstuk waar de Verenigde Staten voor staan.

Belangrijker nog is dat we hierdoor zien wat Europa en Nederland kunnen leren van Amerika en waartoe het kan leiden wanneer de dialoog over de toekomst van de samenwerking ontbreekt. In de kern gaat het over autonomie, de verdeling van zeggenschap en het vertrouwen dat de centrale overheid luistert naar de deelnemende partijen en doet wat de bevolking wenst. Het gesprek over de aard van de samenwerking is iets dat continu gevoerd moet worden, want voor je het weet zijn spraakverwarring, polarisatie en ruzie over sub-onderwerpen het resultaat. Wellicht is dat wat we ook in Nederland zien gebeuren, met een stikstofcrisis, een asielcrisis en een energiecrisis.

Lees meer
Leestijd3 minuten
Auteur(s)Robin Bremekamp